Technische informaties
Tricks & tips
NL
FR

De technische support van cia ondervragen
Indien er nog problemen ontstaan nadat U de handboeken van het programma goed heeft doorgenomen, kunt U een E-mail opsturen naar Support@cia-sa.be waarin U een beschrijving van het probleem vermeld.

Laadt gratis een 'patch' die zekere problemen corrigeert : Patches

Deze boodschap moet het volgende vermelden :
Operating system (Windows 95/98/NT, Mac OS)
Versie van de OS
Gegeven geheugen aan het programma
Maat van de geopende documenten
Omstandigheden van het probleem …

Wij sturen U zo snel mogelijk een antwoord
Inhoud :

Windows 2000 en ArchiCAD Classic
Gebruik van de plannen van de details van Reynaers aluminium in ArchiCAD 6.5
How to open old ArchiCAD project files in the current version
ArchiCAD 6.0 en drukken TN 72
Wissen van overbodige layers TN 71
Kopie van een ArchiCAD-plan als beeld NT 69
Export in DXF/DWG in ArchiCAD 6.0 TN 68
Gebruik van ArchiSite in combinatie met ArchiCAD TN 67
Opslaan en recupereren van DFX- en DWG-gegevens AC 6.0 TN 66
Gebruik van objecten NT 59
Beheer van hoekvensters TN 58
Gebruik van beelden in 3D TN 57
Inlassing van een ArchiCAD-ontwerp in een bestaande site TN 56
Organisatie van de harde schijf. TN 53
De dynamische link ArchiCAD–Plotmaker TN 51
Opvraging van gegevens in ArchiSite TN 49
Plotter in netwerk met ArchiCAD TN 48
Materiaal texturen in ArchiCAD 5.0 TN 46
Begrip lokaal TN 45
Beperking van de grootte van de rendering beelden. TN 42
Stereoscopische afbeeldingen. TN 37
Lay-out van een "Rekenblad" in PlotMaker TN 32
Resolutie van fotorealistische renderingen TN 31

Windows 2000 en ArchiCAD Classic

    ArchiCAD classic kan op indelingen van grotere schijf slechts 2GB gebruikt worden Men moet kleinere indelingen creëren, of minstens een indeling van 2 GB. PartitionMagic van PowerQuest kan indelingen verdelen zonder de gegevens te verpletteren over de bestaande indeling.

Gebruik van de plannen van de details van Reynaers aluminium in ArchiCAD 6.5

    De details van de profielen van Reynaers kunnen gratis bij deze maatschappij verkregen zijn. Zij worden geleverd aan het formaat DWG (r 14) op een CD-Rom getiteld "Vrijheid door de revolutie" CD 2000. De details aan de formaten DWG bevinden zich in het dossier Drawings van du CD-Rom, elk detail is een verschillend bestand, geïdentificeerd door een nummer dat eveneens op de catalogus van Reynaers voorkomt in electronisch formaat (Pdf). Het gebruik in ArchiCAD (windows of mac) kan van twee manier plaatsvinden.

  • 1 Als project
    Activeer het commando "Open" van het menu "Bestand"
    Kiest het bestandformaat DWG, open het gewenste detail in het dossier DWG/Drawings van CD-Rom
    De dialoog van opening DWF/DWG wordt U voorgesteld
    Configuratie bestand : Zonder
    Openen als... Project ArchiCAD
    Symbool DXF/DWG: Ontbonden maar verenigd houden
    Eenheid: 1 mm.

  • 2 Als onderwerp van bibliotheek
    Activeer het commando " Bibliotheek element openen " van het menu "Bestand ".
    Kiest het bestandformaat DWG en als onderwerp openen
    Opent het gewenste detail in het dossier DWG/Drawings van CD-Rom
    De dialoog van opening DWF/DWG u wordt ingediend
    Configuratie bestand : Zonder
    Gegevens 3D als... Tweevoudig 3D
    Heenheid: 1mm

    In het venster van het 2D symbool voert de afschaffing van de nutteloze maten en teksten uit.
    Voegt de hots spots toe om het latere gebruik te vergemakkelijken.
    Activeer het hoofdvenster van het onderwerp, in "details" kruis aan "Maat aan 2D symbool voegen"
    Registreert dit nieuwe onderwerp in een nieuwe benoemde bibliotheek "Reynaerts" die u desnoods zult kunnen laden.
    In gebruik, in het tweede scherm van het venster van het parametreer venster van het onderwerp, kunt u ofwel de kleuren en soort lijn van het symbool gebruiken of deze attributen aan het gewensde waarde.

How to open old ArchiCAD project files in the current version

    Recently we get more and more questions about how to open old ArchiCAD files in the current version. Below we try to summarize what to do in such cases. 

  • Converting 3.4.x ArchiCAD plan files to current solo project files 
    Use the ArchiCAD File Converter application to save your old (v 3.4.x to v 4.0.x plan files) in v4.1 format. The files saved in ArchiCAD 4.1 format can be opened with the current ArchiCAD version on the same platform.
    ArchiCAD File Converter application works both on 68k and PPC Macs. 
    Download ArchiCAD File Converter (292 kB)
  • Converting v 4.1-4.55 Mac format to v 4.1-4.55 PC format 
    There is an ArchiCAD File Exchange application included in these ArchiCAD packages which converts the Mac files to PC format. This becomes obsolete when using ArchiCAD 5.0 or later because these versions are able to save archive files (PLA) in multiplatform format. 
    ArchiCAD File Exchange works both on 68k and PPC Macs.
    Download ArchiCAD File Exchange 2.11 Int'l (600 kB)
  • Converting old library parts to the current format 
    Please use the Update Library Parts command in the Special Menu of ArchiCAD 4.55 or later. (The Special Menu can be enabled in a resource editor like ResEdit, editing the MENU chapter of the ArchiCAD resource file (e.g. ArchiCAD 6.0 Res 1), selecting the Special menu and by clicking on the check box "Enable".) 

ArchiCAD 6.0 en drukken TN 72

    Voor het afdrukken van ArchiCAD-bestanden is een bijzondere kwaliteit vereist, die alleen via speciale formaten mogelijk is. De gemaakte beeldbestanden kunnen dan aan een drukker overgemaakt worden om te "flashen" en in een tijdschrift afgedrukt te worden.

    o ALGEMEENHEDEN:
    Twee types bestanden komen hiervoor in aanmerking:
    1 - Fotorealistische beelden.
    2 - Analytische plannen en tekeningen.

    o GEBRUIK:
    1 - De beelden worden overgedragen in de formaten Bmp, PICT. Indien u Photoshop, Corel of een ander grafisch opmaakprogramma heeft, kunnen de beelden omgezet worden naar CMYK formaat.
    De kwaliteit van het beeld is voor een bepaald formaat, uitsluitend afhankelijk van de grootte. Bijvoorbeeld 2000 x 1500 pixel. Zie TN31.
    2 - Vlakke gezichten, doorsnedes, gevels... worden overgedragen in EPS-formaat (Encapsulated PostScript). Alleen Plotmaker kan onder dit formaat in zwartwit of in kleur opslaan.

    o OPMERKINGEN:
    - De formaatkeuze kan afhankelijk zijn van het soort drager en van de beschikbare geheugencapaciteit. De verschillende formaten worden minder of meer gecomprimeerd. De belangrijkste formaten die ArchiCAD 6.0 gebruikt zijn, in afnemende volgorde van de geheugenruimte die zij innemen (dus in afnemende compressievolgorde): Bmp op PC en PICT op Mac, TIFF (®*.TIF) en JPEG (*.JPG).
    Op het eindresultaat moet u echter checken of de compressie geen beeldvervormingen veroorzaakt heeft.

Wissen van overbodige layers TN 71

    Procedure om lege layers te wissen zonder planinformatieverlies in ArchiCAD.

    o ALGEMEENHEDEN:
    ArchiCAD neemt bij de aanmaak van een nieuw project, altijd automatisch alle layers over die in het laatst geopende project bestonden. Nu kan het interessant blijken om een deel daarvan te wissen.

    o GEBRUIK:
    1 - Activeer alle layers.
    2 - Stel het gezicht bij tot het hele project op het scherm past, dit op gelijk welke verdieping
    3 - Sluit het hele project in met behulp van de tool selectierechthoek in de modus "meer verdiepingen" (vet gestippeld)
    4 - Kopieer alles.
    5 - In de dialoog "layerbeheer" kan u nu alle layers wissen.
    6 - Plak de eerder gekopieerde elementen.
    Alleen de layers die informatie bevatten, zullen in het project blijven bestaan.

    o OPMERKINGEN:
    - Deze techniek wist de gegevens in doorsnedes!
    - Het is altijd beter layers te wissen vooraleer u een project begint, aangezien het wissen van een calque automatisch ook de hele inhoud mee wist.
    - Deze methode zorgt ervoor dat bij export naar een ander programma, de gegevensoverdracht een stuk vlotter verloopt.
    - Bij dit soort bewerking is een

Kopie van een ArchiCAD-plan als beeld NT 69

    Procedure om een ArchiCAD-plan op het scherm te kopiëren met een voortreffelijke resolutie.

    o ALGEMEENHEDEN:
    Een ArchiCAD-plan op het scherm heeft een analytisch formaat en wordt weergegeven met de resolutie van het scherm. Toch kan het gebeuren dat u het plan als beeld nodig heeft, bijvoorbeeld om het in een ander programma in te lassen.

    o GEBRUIK:
    U hoeft het scherm niet te verstellen om een kopie van de hele tekening te maken.
    Indien een betere beeldkwaliteit (hogere resolutie) noodzakelijk is, zoomt u gewoon op het plan in en u krijgt een hogere resolutie. Sla het beeld daarna op in het gewenste beeldformaat (PICT, TIF, enz.).

    o OPMERKINGEN:
    Zoom echter niet te sterk in, want het beeld dat dan ontstaat, zal te groot zijn (geheugen) om in een andere programma opgenomen te kunnen worden. Het beste is enkele proeven te doen met verschillende kwaliteiten, en dan het beste grootte/kwaliteit-compromis te kiezen.

Export in DXF/DWG in ArchiCAD 6.0 TN 68

    Procedure om de grootte van de eindbestand zo klein mogelijk te houden.

    o ALGEMEENHEDEN:
    ArchiCAD 6 importeert en exporteer DXF- en DWG-bestanden in de formaten R12, R3 en R14.

    o GEBRUIK:
    R14 is het meest recente formaat van de drie en staat borg voor een betere recuperatie van gegevens. Onder meer kunnen ook arceringen gerecupereerd worden.

    Onderstaande regels blijven evenwel gelden, en dienen om de grootte van de DXF- of DWG-bestanden die ArchiCAD aanmaakt, zo beperkt mogelijk te houden.

    1 - Opties/Weergave-opties: kies de kleinste dikte voor de lijnen, zo niet kan het ontvangende programma de dikte simuleren door de basislijn te vermenigvuldigen. De pennummers blijven evenwel toegekend.
    2 - Opties/Weergave-opties: kies de optie zonder arcering voor de muren.
    3 - Breng zo weinig mogelijk arceringen aan, om dit het eenvoudigste is, vooral bij export naar de formaten R13 en lager.
    4 - Opties/Weergave-opties: kies de vectoriële dessins in plaats van Bitmap.
    5 - Optioneel: wissen van lege calques, zie TN 71.
    Daarna opnieuw opslaan zoals hierboven.

    o TIP:
    - Wil u het resultaat van een exportbewerking zien, dan exporteert u waarna u onmiddellijk weer in ArchiCAD importeert. Vergeet niet het overeenkomstige formaat van het bestand bij opening te selecteren.

Gebruik van ArchiSite in combinatie met ArchiCAD TN 67

    Gebruikelijke procedure om een terrein in een ArchiCAD-project te integreren..

    o ALGEMEENHEDEN:
    Het terreinvoorontwerp werd al via ArchiSite aangemaakt.
    Nu moet het terrein ten opzichte van het huis geplaatst worden.

    o GEBRUIK:
    Maak de omtrek van de gebouwfunderingen alsook van het perceel met behulp van lijnen in ArchiCAD. Kopieer en plak deze in ArchiSite op de plaats die u voor de uitgraving wenst. Met behulp van de overeenkomstige tool dekt u de uitgraving uit via de trekpunten op de uiteinden van de lijnen, tot u precies de veelhoek van de uitgraving heeft. De afstand van de bodem van de uitgraving tot de rest van het terrein, moet bij het einde van de bewerking gegeven worden.
    Het terrein kan dan opgeslagen worden om opnieuw in het ArchiCAD-project geïntegreerd te worden, hot spots werden automatisch aangebracht op de hoeken van het terrein en de uitgraving. Deze helpen bij de plaatsbepaling ten opzichte van het huis.
    De positionering op Z moet gebeuren ten opzichte van het nulniveau van het huis. Aangezien de coördinaatsystemen van de landmeter en van de architect niet dezelfde zijn, is het eenvoudiger een doorsnede te activeren en het terrein in doorsnede te verplaatsen.

    o OPMERKINGEN:
    - Verplichte hoogtepunten kunnen in ArchiSite gepositioneerd worden om het terrein op de hoeken van het gebouw bij te werken met behulp van de trekpunten van de lijnen die uit ArchiCAD geïmporteerd werden.
    - Het is aan te raden een oorspronkelijk terrein te bewaren om de hoeveelheid uitgraving/opvulling te kunnen controleren.

Opslaan en recupereren van DFX- en DWG-gegevens TN 66

    Overdracht van bestanden naar andere programma's die één van de bovenstaande formaten ondersteunen.

    o ALGEMEENHEDEN:
    ArchiCAD kan DXF- en DWG-gegevens opvragen en opslaan door middel van het commando "Bestand/Opslaan als".

    o GEBRUIK:
    1 - Procedure die gevolgd in ArchiCAD moet worden om DXF/DWG 3D informatie te interpreteren:
    Indien u een 3D model in AutoCAD aanmaakt, dient men de oppervlakten of de 3D tool te gebruiken. De tool "vaste stoffen" zal niet geïnterpreteerd worden.
    Vooraleer u opslaat vanuit AutoCAD, tik FILLMODE en geef de waarde 1. Vooraleer u opslaat, gaat u erboven staan en sla op als DWG. Het is ook mogelijk om als DXF op te slaan via het commando DXFOUT.
    Gebruik in ArchiCAD het commando "Open bibliotheekelement" en het formaat DXF of DWG.
    Indien het project open is vanuit het 2D basisplan, zullen de 3D-gegevens niet inbegrepen zijn.
    2 - De lijndikten (pennen) in de interpretatie van DXF en DWG:
    In ArchiCAD worden de dikten aan de pennen gegeven terwijl in AutoCAD elk element zijn eigen dikte kan hebben.
    Bij het sluiten ("Opslaan als"): indien de optie "Weergaveopties/Dikte lijnen/Minimumdikte" aangekruist is, nemen alle pennen de dikte 0 aan.
    Indien de optie "Weergaveopties/Dikte lijnen/Werkelijke dikte" aangekruist is, zullen de via "Pennen en kleuren" ingestelde parameters aan elke pen toegewezen worden.
    Bij het openen ("Openen"): De nuldiktelijnen zullen geïnterpreteerd worden met de juiste kleur. De pennen met een andere dikte zullen omgezet worden in arceringen die overeenkomen met de dikte van de oorspronkelijke pen.

    o TRUCS:
    In bepaalde gevallen worden de ArchiCAD-arceringen ontbonden en overgenomen als lijnen en niet als veelhoeken en arceringen. Deze vullijnen in de arceringen zullen het DXF/DWG-bestand zwaarder maken.
    Het is aan te raden de arceringen onzichtbaar te maken via het menu "Opties/Weergaveopties" en "Arcering Muren: Leeg". Het is tevens aan te raden om de calque waarop de arceringen geplaatst zijn, uit te schakelen, aangezien de hierboven genoemde optie "Leeg" voor de arceringen zelf niet beschikbaar is.
    Na deze bewerkingen zal de bestandsgrootte aanzienlijk verminderd zijn.

    o OPMERKINGEN:
    - Opslaan als DXF of DWG gebeurt voor elk niveau/verdieping in ArchiCAD.
    - Indien een bestand van een Macintosh naar een PC onder Windows overgezet moet worden, plaatst u het bestand op een PC-geformatteerde diskette. Gebruik 1,44 PC diskettes en initialiseer geen Mac-diskette op PC.
    - Mac-hulpprogramma’s zijn voor dit soort bewerkingen noodzakelijk (bijvoorbeeld "Uitwisseling PC/Macintosh").
    - De recuperatiemogelijkheden van de formaten DXF en DWG moeten met ArchiCAD 6.0 mee evolueren (volledige recuperatie van de arceringen in beide richtingen).
    De "readme"-bestanden betreffende deze opslagformaten bevinden zich in de map "Extensies" van ArchiCAD. Zij bevatten beschrijvingen van de dialoogvensters die bij de verschillende bewerkingen verschijnen en hun betekenis. (Bestand "Readme DXF 3D Out", enz...).
    ArchiCAD versie TeamWork (v8/R8) bevat een bijkomende optie die al volledige recuperatie van arceringen toelaat.

Gebruik van objecten NT 59

    Tips over de instelling van bibliotheekelementen

    o ALGEMEEN:
    1)Hoe vindt men de oorspronkelijke waarden van de parameters van een bibliotheekelement terug?
    2)Veranderen van de systeemwaarden van de parameters van een bibliotheekelement.

    o GEBRUIK
    1)Om de oorspronkelijke waarden van de parameters van een bibliotheekelement terug te vinden, klikt u één keer op de “lift” naar achter, daarna één keer naar voor of (omgekeerd)

    De parameters nemen de systeemwaarden aan zoals die golden bij de laatste bewaring van het bibliotheekelement zelf.

    2)Veranderen van de systeemwaarden van de parameters van een bibliotheekelement.
    Indien een bibliotheekelement gekenmerkt wordt door onwaarschijnlijke systeemwaarden volstaat het dit bibliotheekelement te openen (commando “Bestand/Openen bibliotheekelement”), het element de meest courante waarden toe te kennen en het op te slaan.

    Bijvoorbeeld een binnendeur met een breedte van 87 cm zal bij gebruik altijd een nieuwe breedte moeten krijgen. Het is praktischer de deur te bewerken voor het veranderen van parameter A die overeenkomt met de breedte van de nis en een waarden van 81 cm toe te kennen.
    Dit geldt voor de parameters B en voor de andere, bijkomende parameters alsook voor alle types bibliotheekelementen.

    o TIP:
    - Indien een bibliotheekelement heel vaak gebruikt wordt maar met twee reeksen totaal verschillende bijkomende parameterwaarden, kan het handig zijn het object onder een andere naam te bewaren en het standaard de gewenste parameters te geven.
    Dan kan u het object in kwestie gebruiken zonder de parameters te moeten veranderen.

Beheer van hoekvensters TN 58

    Tips voor de plaatsing.

    o ALGEMEEN
    Hoe kan u een venster op twee muren plaatsen.

    o GEBRUIK
    De nis mag geen gebruik maken van de rabatten van de tool vensters, aangezien deze al toegevoegd werden bij de nisdoorboring in de muur.

    1/ MUREN MET DE COMPOSIETSTRUCTUREN van ArchiCAD:
    Plaats een vrij rabat met de gewenste afmetingen met behulp van de optie " zonder lijnen " voor het tekenen van de vensterbank en de dorpel. De ontbrekende 2D-lijnen zullen met de hand toegevoegd worden. Indien rabatten getekend moeten worden, moet men in het vlak een muurtje maken met diens afmetingen.

    Bij analytische en doorsnede 3D zal de parasietlijn van de rabat manueel vóór het plotten gewist moeten worden.
    Bij fotorealistische weergave is het belangrijke element het materiaal: u moet erop letten dat de muren in hetzelfde materiaal zijn.

    De plaatsing van het venster gebeurt dan als bibliotheekelement van het objecttype.
    U opent het gewenste formaatelement " vensters " " als object " (identiek formaat als dat van een tafel, enz...) om de muren vrij te maken (op de overeenkomstige rolmenu's klikken).

    Het venster daarna aanbrengen in de daarvoor gemaakte nis. De verticale plaatsing gebeurt nu ten opzichte van het absolute nulpunt en niet langer ten opzichte van de basis van de muur.

    Deze methode is snel en aangepast aan het maken van voorontwerpen en andere plannen met een geringere precisie.
    Voor het maken van uitvoeringsplans, zal onderstaande methode meer geschikt zijn want zij laat een verregaander beheer van de in 2D en 3D getekende elementen toe.


    2/ GEBRUIK VAN MEERDERE ENKELE MUREN:
    In de plaats van één muur te tekenen met alle buitenlagen, tekent u één enkele muur voor elke laag.
    Plaats het venster in de binnenmuur met een negatieve verschuiving gelijk aan de muurspouw.
    Plaats een lege nis in de buitenmuur met geringere afmetingen dan de waarde van de rabat.
    Deze tweede nis kan gebruikt worden voor het aanbrengen van een dorpel, een balk, luiken, enz.
    Deze tweede methode vergt meer tijd maar laat een beter 3D-beheer toe, dus een beter beheer van de visuele weergave en de meetstaten.

    3/ AANGEPAST GDL-VENSTER
    Deze derde methode bestaat erin via de GDL een bibliotheekelement aan te maken dat aangepast is aan dit welbepaalde geval en dus kennis van de GDL vergt.

    o OPMERKINGEN:
    - de lijnen die de muur- en vloernaden in hetzelfde weergave bij analytisch zicht (gevectoriseerde 3D doorsnedes en zichten) voorstellen, worden in de meeste gevallen automatisch gewist op voorwaarde dat de materialen aan weerszijden van de naden dezelfde zijn.
    - een " fusie "-vloerplaat (dikte nul) in een verticale opeenvolging van 2 muren is sedert versie 5.0 niet langer noodzakelijk.
    - De 3D-tekening van de verticale wanden van een vera

Gebruik van beelden in 3D TN 57

    Inlassing van beelden van mensen, bomen, logo's, enz... in een ArchiCAD ontwerpweergave.

    o ALGEMEEN
    Procedure om bestaande foto-elementen in het ontwerp in te lassen.
    De in deze technische nota beschreven mogelijkheden zijn alleen bruikbaar voor fotorealistische weergaves.

    o GEBRUIK
    1) U beschikt over een beeld van de site in elektronisch formaat.
    Dit kan op verschillende manieren:
    - film overgezet op CD-ROM bij de fotografische ontwikkeling (Kodak PhotoCD)
    - de foto's van de site kunnen ingescand en in een elektronisch bestand gezet worden
    - de foto's worden rechtstreeks met een digitale fotocamera gemaakt en daarna op computer gezet.

    Opmerkingen:
    - de kwaliteit van de uiteindelijke beelden hangt af van de resolutie van de beelden in elektronisch formaat.
    - De grafische basisformaten die door ArchiCAD herkend worden, zijn TIFF, BMP en PICT (zie TN nr. 56)..

    2) Voorbereiding van een PICT-beeld met transparante gedeelten (Alpha kanaal): inlassing van personages in een site.
    Wijzig het beeld met behulp van een grafisch retoucheerprogramma (Corel Draw, enz.)
    Bijvoorbeeld in Photoshop 3.0:
    - klik met de toverstok op de achtergrond die u wil verwijderen (automatische selectie)
    - Menu " Selecteren/Inverteren "
    - Klik op het vakje links onderaan.

    Het (onzichtbare) Alpha kanaal wordt automatisch aangemaakt, en er wordt ook een nieuwe calque
    (nr. 4 in het voorbeeld) aan de lijst toegevoegd.

    - Bewaren in één van de hierbovengenoemde formaten (het kan noodzakelijk zijn om het beeld in het calquepallet " af te vlakken "). Geef de naam " voorbeeld ".

    3) Gebruik van het aangemaakte personagebeeld.
    - kies één van de objecten in de bibliotheek die gebruik maakt van het principe van beeld-mapping (toewijzing), bijvoorbeeld " Nana Classic " in de map " Person Mapping " (voorbeeld " Pict Flowers " in INTL-versie). Open het bibliotheekelement en bewaar het onder een andere naam.
    - Open het script GDL 3D en zoek het volgende commando:
    " picture "image", a, c, 1 "
    Het woord " beeld " staat voor het beeld dat voor de mapping gebruikt moeten worden. Vervang dit door hierboven gekozen naam, dit wil zeggen " voorbeeld ":
    - het beeld en het object moeten in de actieve bibliotheek zitten
    - De optie " Texture " moet aangekruist zijn in de opties van de fotorealistische weergave.
    - voer de fotorealistische weergave uit.

    o OPMERKING:
    - een gelijkmatige kleurachtergrond die anders is dan het beeld, vergemakkelijkt de selectie.
    - nda kan met dezelfde methode uitgevoerd worden.

Inlassing van een ArchiCAD-ontwerp in een bestaande site TN 56

    De site visueel weergeven zoals hij er na het optrekken van het gebouw zal uitzien.

    o ALGEMEEN
    Voor nog meer realisme in de uiteindelijke weergave in ArchiCAD, het gebouw in het bestaande terrein integreren.
    De in deze technische nota beschreven mogelijkheden zijn alleen bruikbaar voor fotorealistische weergaves.

    o GEBRUIK:
    1) U beschikt over een beeld van de site in elektronisch formaat.
    Dit kan op verschillende manieren:
    - film overgezet op CD-ROM bij de fotografische ontwikkeling (Kodak PhotoCD)
    - de foto's van de site kunnen ingescand en in een elektronisch bestand gezet worden
    - de foto's worden rechtstreeks met een digitale fotocamera gemaakt en daarna op computer gezet.
    Neem de coördinaten van het opnamepunt (x, y en z) en van het beoogde punt ten opzichte van het ontwerp.

    Opmerkingen:
    - de kwaliteit van de uiteindelijke beelden hangt af van de resolutie van de berekende beelden. 800x600 zal voldoende zijn voor beelden die alleen op scherm bekeken moeten worden. 1024x768 punten is een minimum voor beelden die afgedrukt moeten worden.
    Met een printer met een goede resolutie moeten de weergaves die op 4A afgedrukt moeten worden, berekend worden met een formaat van minstens 1500*1200 punten.
    - Het is beter om deze resoluties in te stellen voor de achtergrond en voor de ArchiCAD weergave.
    - De grafische basisformaten die door ArchiCAD herkend worden, zijn TIFF, BMP en PICT.


    2) Inlassing van een ArchiCAD perspectief in een bestaande site
    - kies het beeld (zie 1) als een achtergrondbeeld in de opties " fotorealistische weergave "
    - de calques met de ondergrondse 3D-elementen moeten uitgeschakeld worden.

    Gebruik het " ijzerdraad " 3D-zicht om het 3D-zicht op de achtergrondfoto aan te passen. Deze optie vindt u in het menu " Beeld/Optie 3D venster/achtergrond: zoals voor weergave ".

    - voer de fotorealistische weergave uit.

    o OPMERKING:
    - het ArchiCAD beeld wordt bovenop het achtergrondbeeld geplaatst
    - plaats de zon in de kijkrichting, aangezien het gebouw geen schaduw zal hebben op de achtergrondfoto.

Organisatie van de harde schijf. TN 53

    Hoe kan u uw harde schijf organiseren?

    o ALGEMEENHEDEN:
    Een goede organisatie van uw bestanden op de harde schijf, kan u vergelijken met een doeltreffende organisatie van een gewoon bureau. De computermappen zijn vergelijkbaar met fardes en kasten, de bestanden met bladzijden en calques...
    De organisatie vergt nogal wat discipline en tijd voor het klasseren van de gegevens, maar dat werk zal later ruimschoots beloond worden wanneer u programma's en computerbestanden moet opzoeken, sorteren en bijwerken ...

    o PRINCIPE:
    Gebruik een stevige hiërarchie in uw computermappen, waarmee u in feite een voorafgaande sortering van uw mappen doorvoert. Beperk het aantal submappen in een hoofdmap, zodat u een sneller visueel overzicht krijgt.

    Voorbeeld van organisatie:
    Bovenaan de hiërarchie (het eerste niveau op uw harde schijf) vindt men de mappen PROGRAMMA'S en KLANTEN.
    In de map KLANTEN maakt u een map aan voor elke klant. Alles wat verband houdt met een klant, wordt onder diens eigen map opgeslagen. Deze methode is bijzonder praktisch wanneer u na afsluiting van een dossier overgaat tot volledige archivering, om zo ruimte op de harde schijf vrij te maken.
    Daarna kan men submappen aanmaken, b.v.: tracés, archieven, administratief, objectenbibliotheek...

    De map TE PLOTTEN:
    Bevat de bestanden PlotMaker, Layout, Tekeningen en andere met betrekking tot tracés. Het is belangrijk deze bestanden op dezelfde plaats op te slaan voor het beheren van de dynamische ArchiCAD–links. De automatische bijwerking van tekeningen gebeurt immers op basis van hun namen en hun lokatie.
    Over het algemeen kan men een Layout bewaren met betrekking tot de aanmaak van elk officieel document, waardoor het origineel in elke beslissende fase van het ontwerp gereproduceerd kan worden (LO Voorontwerp, LO ontwerp, LO bouwvergunning, LO uitvoering, enz...)

    De map ARCHIEVEN:
    Bevat alle ArchiCAD– en andere archieven. Deze map is verplicht, aangezien het de beveiligingsbestanden bevat, het kan immers altijd gebeuren dat uw computer vastloopt.
    Bovendien bevatten de ArchiCAD "Archive" bestanden alles wat nodig is om ze vroeg of laat op dezelfde of een andere post opnieuw te gebruiken.

    De map ADMINISTRATIEF:
    Bevat uw post, honorariumnota's, enz...

    De map OBJECTENBIBLIOTHEEK:
    Bevat de objecten die alleen verband houden met deze specifieke map. Indien de objecten in andere mappen herbruikbaar zijn, kunnen ze dan gekopieerd worden naar de hoofdmap Objecten, waarin alle andere objecten zitten. Zie technische nota nr. 54 voor het bibliotheekbeheer in verband met een ArchiCAD–bestand.

    Het ArchiCAD hoofdbasisplan kan opgeslagen worden op het eerste niveau van demap Klant om rechtstreeks beschikbaar, of ook opgeslagen in een submap PLANS.

    Het moet dezelfde naam behouden met het oog op het beheer van de dynamische links naar PlotMaker.

    Andere mappen kunnen op dit niveau aangemaakt worden naargelang de specifieke werking van elk kantoor.

    Gebruik in netwerk:
    De map KLANTEN zal zich op de harde schijf bevinden van de gemeenschappelijke "Server" en kan gezamenlijk benut worden, aangezien alle gebruikers er toegang toe hebben.
    Daarentegen zullen de toepassingen geïnstalleerd worden op elke "Client" computer (effectief werkstation), want via het netwerk werken met een toepassing op een andere computer, gaat een stuk trager.

    Opmerkingen:
    – Harde schijf in het Engels is "Hard Disk" vandaar HD ...
    – Compressieprogramma's kunnen nuttig zijn om ruimte op de harde schijf vrij te maken. Toch zullen zij maar zelden meer dan 50% van de oorspronkelijke schijfruimte vrijmaken.
    – De map die het programma automatisch kiest voor het opslaan van bestanden, zal doorgaans de map zijn van de toepassing zelf. Daarom dient u het bestand naar de geschikte plaats te sturen. "Save as" laat u toe om de opslaglokatie van het bestand te kiezen. Als dit niet gebeurt, zal u al snel zitten met allerlei bestanden die niet meer gesorteerd kunnen worden en zal heel veel tijd verloren gaan om uit te zoeken wanneer het plan voor de laatste keer gewijzigd is.
    – Het is verstandig om het ArchiCAD–plan de naam te geven van de klant (indien alle bestanden PLAN 01... heten, begin dan maar te zoeken!).
    – Onder "Mappen" begrijpt men alle elementen die er andere kunnen bevatten. Onder WINDOWS 3.1 werden deze "directories" genoemd.
    – Programma's waarin bestanden zitten die ze aanmaken in een ondeelbare volledige database, laten niet toe om bestanden op verschillende plaatsen op te slaan en deze zullen dan ook in de map van het programma terechtkomen. Evenwel kan het soms mogelijk zijn om de gegevens eigen aan een klant te archiveren en dat archief kan dan in de map van de klant geplaatst worden.
    – Let erop dat u proefbestanden of –mappen wist wanneer u ze niet meer nodig heeft, zo niet zit u later met een boel elementen die niet vernietigd zijn, en waarvan u niet meer weet hoe belangrijk ze zijn.

De dynamische link ArchiCAD–Plotmaker TN 51

    Optimaal gebruik van de dynamische link ArchiCAD–PlotMaker.

    o ALGEMEENHEDEN:
    Procedure voor het aanmaken van PlotMaker Layouts.
    ArchiCAD 5.0 bevat een nieuwe functie voor bewaring onder PlotMaker.

    o GEBRUIK:
    Twee elementen laten PlotMaker toe om een layoutbestand te herkennen, om het daarna te kunnen bijwerken:
    1- Zijn naam.
    2- De lokatie
    Indien één van beide elementen gewijzigd wordt, moet de link door de gebruiker opnieuw aangemaakt worden.

    Voorbereiding:

    Maak een map "Te plotten" aan op de harde schijf, met daarin alles wat te maken heeft met de tekeningen van de klant in kwestie en met de bedoeling tekeningen die vanuit PlotMaker toegevoegd worden, makkelijk te kunnen beheren.

    Let er op dat u alle tekeningen in het formaat PlotMaker "plans, doorsnedes en gevels" die opgeslagen werden vanuit ArchiCAD en in de layout overgenomen moeten worden, anders benoemt.

    De aanmaak van "Layercombinaties" met erin al dan niet zichtbare calquen naargelang het gebruik van het plan, is eveneens belangrijk: hierdoor kan u de selectie van de zichtbare elementen beter beheren.
    Bijvoorbeeld vloerplaten en daken zijn maar zelden zichtbaar nodig op een plan en moeten daarom onzichtbaar gemaakt worden voor de uitvoeringstracés.

    Bij elke te bewaren "Plot" tekening dient u erop te letten dat de volgende elementen juist zijn:
    1– De schaal van de tekening
    2– De actieve Layercombinatie

    Bewaren in "Plot"–formaat

    Plans:
    Voor basisplans zullen bij bewaring onder Plotmaker, automatisch de namen van de "Plot"–bestanden verschijnen alsook de huidige verdieping. U dient dit bestand dus niet te hernoemen, tenzij het een specifiek tracé betreft, b.v. een "elektriciteitstracé".

    Doorsnedes en gevels:
    Doorsnedes worden automatisch bewaard onder een naam met daarin de naam van de doorsnede en zijn "Referentie ID".

    Voor gevels, zelfde procedure als voor doorsnedes, evenwel veronderstellen gevels over het algemeen het gebruik van een andere layercombinatie.

    Het sorteren van de bestanden in de directories gebeurt alfanumeriek, zodat het nuttigkan zijn om een onderscheid te maken tussen doorsnedes en gevels, b.v. door "de Referentie ID" in cijfers ("1, 2...") te geven voor de gevels en in letters ("A, B...") voor de doorsnedes.

    Nieuwe functie in ArchiCAD 5.0:
    Vanaf versie 5.0 bestaat een nieuwe procedure voor automatische bewaring: "File/Save Special/Links"

    Opdat deze functie zou werken, moeten uiteraard alle betrokken tekeningen minstens één keer in het PlotMaker–formaat opgeslagen zijn.

    Controleer de lokatie van de opgeslagen "Plot"–tekeningen, indien deze verplaatst werden.

    Klik op "Save All". De "Plot" tekeningen worden dan bijgewerkt rekening houdend met:
    – de lokatie van de vorige opslag
    – de "Plot" bestandsnaam
    – de overeenkomstige actieve Calquecombinatie
    – en de overeenkomstige schaal.

    * ADVIEZEN / TIPS:
    – In PlotMaker 1.6 is het voldoende de gewenste tekeningen te selecteren en "Options/Options Drawings" te activeren en te klikken op "Adjust Drawing Frame" om de rechthoek aangeschreven op de tekening te herdimensioneren. De rechthoek wordt geherdimensioneerd zodat alle elementen van de tekening zichtbaar worden, inclusief die elementen die in laatste instantie toegevoegd werden indien er een wijziging van de tekening geweest is in ArchiCAD en bewaring onder "PlotMaker".

Opvraging van gegevens in ArchiSite TN 49

    Opvraging van gegevens in ArchiSite
    Er zijn allerlei methodes om punten in ArchiSite op te vragen. Ze staan beschreven in de bij het programma geleverde handleiding.

    o ALGEMEENHEDEN:
    Methodes voor het opvragen van niveaupunten met het oog op later gebruik in ArchiCAD:
    1 – Vraag een computerbestand aan de landmeter, indien deze voor het maken van zijn plans een programma gebruikt. Waarschijnlijk wordt dat een DXF– of tekstformaat (ASCII), waarin voor elk punt een nummer en de coördinaten X, Y en Z steken.

    2 – Een terreinplan met opgave van de niveaulijnen kan ingescand en in ArchiSite geopend worden, en kan dan dienen als planachtergrond voor de grafische invoering van punten.

    3 – Vraag de geschreven listing van de op het terrein opgemeten punten.

    4 – Importeer een 2D lijnenschets.

    o GEBRUIK:
    1 – Deze methode is eenvoudig: het computerbestand wordt in ArchiSite gewoon geopend met de instructie "File/Open".

    2 – Gebruik de instructie "File/Open Template". Het ingescande bestand moet opgeslagen zijn volgens het TIFF–formaat (extensie ".TIF").

    3 – Maak de listing van de punten in een spreadsheet en nummer ze.
    Sla op in "Tekst"–formaat (alleen) waarbij u het bestand als extensie ".XYZ" geeft,

    4 – Een 2D schets (inplanting b.v.) kan in ArchiCAD aangemaakt worden om later via cut & paste naar ArchiSite verplaatst te worden. De hoogten van de punten kunnen dan ingevuld worden vóór de constructie van het oppervlak.

    Opmerkingen:
    – ArchiSite moet beschouwd worden als een hulp bij het tekenen van het terrein in ArchiCAD en niet als een landmeterprogramma. Het geeft uitstekende resultaten op schaal van het huis.
    – Twee bouwelementen zoals wegen, draagvloeren, enz.... niet boven elkaar plaatsen.
    – Voor meer informatie, zie de gebruikershandleiding in de rubriek "Open".

    o ADVIEZEN / TIPS:
    – De button "Scale independant symbol" moet aangekruist zijn in de tool "ArchiSite" van ArchiCAD om de niveaukrommingen op het plan te zien.
    – De pen die gebruikt wordt voor de niveaukrommingen van het 2D symbool, wordt gekozen in de tool "Parameters niveaukrommingen" van ArchiSite.
    – U kan een terrein ook openen als "ArchiCAD object", evenwel zal de dynamische link verloren zijn.
    – Wanneer u van het ene programma naar het andere overschakelt voor het doorsturen van bestanden, dient u te letten op de bewaar– en openformaten.

Plotter in netwerk met ArchiCAD TN 48.

    Wanneer men beschikt over meerdere werkposten wil men ook de plotter laten gebruiken door de verschillende gebruikers. Hierna enkele methoden om een plotter in een netwerk te gebruiken met de voornaamste voor- en nadelen.

    o METHODE:
    -1° methode : de DataSwitch
    De DataSwitch is een klein electronisch doosje, manueel of automatisch bediend, dat een verbinding toelaat tussen verschillende computers en een plotter.
    Het gaat hier in feite om een soort collector die de plotter verbindt met meerdere werkposten. Een kabel verbindt elke werkpost met de DataSwitch, de DataSwitch is verbonden met de plotter.

    Een DataSwitch laat over het algemeen toe om 4 werkposten met een plotter te verbinden.

    Voordelen:
    -Lage kostprijs en eenvoudig in gebruik.
    -Geen software te installeren en te parametreren.

    Nadelen:
    - Aantal gebruikers beperkt tot de gebruikte DataSwitch.
    - Slechts één post terzelfdertijd verbonden.
    - Noodzaakt een interventie om de computer te verbinden aan de computer die wenst te plotten (bij de manueel bediende DataSwitch)
    - Verdubbelt de bekabeling bij een bestaand netwerk.

    Bij de volgende methoden staan de werkposten in een netwerk.

    Opmerking : de snelheid van de overdracht der gegevens wordt bepaald door het type netwerk ; een netwerk van het type Ethernet is veel sneller dan een Localtalk netwerk. Een Ethernet netwerk vraagt een kaart voor de werkposten die er standaard niet mee zijn uitgerust.

    -2° methode:
    De verschillende werkposten zijn verbonden door een netwerk en één computer is verbonden met de plotter.
    Het gebruik van PlotFlow, een programma dat bij ArchiCAD wordt geleverd, laat toe om een wachtlijst met plotfiles te beheren en het plotten in de achtergrond. (Het gebruik van Plotflow is beschreven in NT 22).

    Elke gebruiker bewaart zijn plots als bestanden in een gezamelijke folder op de computer die met de plotter is verbonden. Deze plotfiles worden in een wachtlijst geplaatst en worden automatisch door Plotflow geplot.

    Voordelen :
    - Goedkoop en eenvoudig.
    - Snelheid bij het doorsturen van de gegevens.
    - Mogelijkheid tot beheer van de bestanden in de wachtlijst.
    - Geen beperking betreffende het aantal gebruikers van de plotter.

    Nadelen :
    - De werking van de computer die de plotter aanstuurt zal vertraagd worden door het doorsturen van gegevens naar de plotter en deze computer mag nooit worden afgezet om het plotten toe te laten.

    Aanbeveling:
    De computers staan in een netwerk en beschikken over een server.
    Zelfde principe als hierboven met de computer die de plotter aanstuurt is een server en geen werkpost.

    -3° methode:
    De plotter toegankelijk maken voor het netwerk.
    Hiervoor dient men intern of extern een kaart toe te voegen aan de plotter waardoor hij direct toegankelijk is vanuit het netwerk waarop alle computers zijn aangesloten. Deze kaart stuurt de gegevens van het netwerk door naar de parallelle poort van de plotter.

    De parametrering “plotter options” laat de identificatie toe van de plotter in het netwerk voor de Non PostScripts plotters.

    Indien de plotter PostScript ondersteunt, is de plotter toegankelijk via de kiezer (macintosh) of het programma voor het beheer van de printers onder WINDOWS. Onder WINDOWS moet de plotter worden ingesteld als gemeenschappelijk.

    Een interface van het type “Jetdirect” die toelaat om 3 randapparaten (plotter + printer + ...) te beheren bestaat eveneens.

    Er bestaan eveneens aansluitdozen die een seriële verbinding mogelijk maken met meerdere randapparaten.

    Voordelen:
    - Zeer snelle overdracht van de gegevens naar de plotter.
    - Geen server nodig.
    - Geen beperking wat betreft het aantal gebruikers in het netwerk.

    Nadeel:
    - Geen beheer mogelijk van de wachtlijst.Pas de gestion de file d'attente.
    - Kostprijs van de “Jetdirect” kaart.
    - Kostprijs van het netwerk.

Materiaal texturen in ArchiCAD 5.0 TN 46.

    De fotorealistische weergave van ArchiCAD is nog krachtiger geworden omdat het vanaf de versie 5.0 mogelijk is geworden om texturen aan te brengen, daar waar de versie 4.55 één enkele variatie in kleur toeliet.
    Bij voorbeeld de kleur voor gevelsteen kan vervangen worden door een textuur met bakstenen en voegen over het gehele vlak van de muur.

    o ALGEMEENHEDEN :
    Men kan drie types parameters toekennen aan een materiaal in ArchiCAD (menu “Options/Materials”).

    1) De kleurinstelling zal gebruikt worden voor de beelden met analytische beschaduwing en in de renderings bij de materialen waarvoor geen textuur werd vastgelegd.

    2) De “Vectorial Hatching” die gebruikt wordt bij de analytische beschaduwing met “3D vectorial hatching”.

    3) De textuur die gebruikt wordt door de “Photorender Projection”.

    De functies waarbij men een materiaal kan toewijzen, gebeuren door middel van een pop-up menu. Dit pop-up menu herneemt voor elk materiaal zijn kleur, vectoriele arcering en textuur.

    o DOEL VAN DEZE TECHNISCHE NOTA :
    1) Gebruik van texturen voor renderings.
    2) Aanmaak van nieuwe texturen.

    o GEBRUIK:
    1)Toepassing van een textuur op een oppervlak.

    a- De toe te passen texturen moeten zich in de huidige bibliotheek bevinden.

    b- Kies “Options/Materials”, selecteer het materiaal waarop de textuur moet worden aangebracht en klik op de knop “expert...”. Hierdoor krijgt men toegang tot de parameters betreffende de materialen.

    c- Door op “Edit texture” te klikken kan men een textuur kiezen uit de beschikbare bibliotheek en ze toepassen op het geselecteerde materiaal.


    Men kan zich verplaatsen in de bibliotheek van de beschikbare PICT/BMP door middel van de dubbele pijlen of door te klikken op “search”, de gewenste textuur te selecteren en klikken op “open”.

    d- Men komt terug bij het voorgaande venster dat de instelling van het geselecteerde PICT/BMP regelt. In het geval van bakstenen dient men :
    - De optie voor het behoud van de oorspronkelijke verhoudingen aankruisen om een correcte verhouding van de bakstenen te bewaren.
    - De basismodule bekijken (het PICT/BMP beeld) dat zal herhaald worden in functie van de totale oppervlakte : “sample 1 x 1”.
    - De exacte breedte ingeven (volgens de reële tekeneenheid : cm, m,...) voor deze module, bij voorbeeld voor 2 bakstenen een reële afmeting van 40 cm.
    - De gewenste optie aanklikken voor herhaling van de basismodule in functie van de plaats van de voegen ; de herhaling van de module kan zichtbaar gemaakt worden door te kiezen voor “sample 2x2” of groter. Een meer gedetailleerde beschrijving van het gebruik van texturen vindt men terug in de ArchiCAD handleiding.

    e- Het uitzicht van de textuur kan bekeken worden in het basisvenster van de materialen op de kegel en op de bol indien men “auto preview” is aangekruist.

    f- Het uiteindelijke resultaat van de textuur op het materiaal van een element is slechts zichtbaar als de optie “texture” is aangekruist in het menu “Image/PhotoRendering/Effects”.
    Nadien kiest men het menu “Image/Photorealistic rendering”

    2) Aanmaak van een “texture”:
    a- Uit een cataloog van een fabrikant van materialen, kan men gemakkelijk een foto inscannen die men nadien kan bewerken in een bitmap programma (Photoshop, Corel Draw,...) en dan bewaren als PICT/BMP formaat.

    Het ingescande beeld dient de kleinst mogelijke module weer te geven die in ArchiCAD moet herhaald worden, zoniet zal de bestand evenals de bibliotheek onnodig veel geheugen innemen.

    Bekijk als voorbeeld de texturen die zich in de oorspronkelijke bibliotheek van ArchiCAD 5.0 bevinden.

    b- De resolutie (aantal beeldpunten op een bepaalde oppervlakte) is moeilijker te definieren. Zij hangt af van de kwaliteit van het oorspronkelijk beeld (cataloog, foto,...), van de grootte van het object waarop men het materiaal wenst toe te passen, van de afstand van het zichtpunt, van de kwaliteit die men wenst van de rendering (voor schermafdrukken, voor 300 dpi printers,...).
    Alleen door enkele testen uit te voeren, kunt U de verschillende instellingen onder de knie krijgen.

    De twee textuur modules hieronder zijn afkomstig van dezelfde ingescande foto, maar hebben elk een verschillende resolutie.
    De eerste op een lage resolutie is meer aangewezen voor een verder afgelegen zichtpunt (men ziet toch geen details en de berekening zal vlugger gebeuren) terwijl de tweede meer geschikt zal zijn voor een dichter zichtpunt.

    De hiervoor vermelde Bitmap programma’s zijn in staat om de resolutie van een basisbeeld te verlagen indien dit voldoende is voor het doel waarvoor ze moeten dienen (bijvoorbeeld een ver perspectief).

    Over het algemeen ligt de resolutie tussen 1 en 50 pixels (1 pixel is 1 beeldpunt van één bepaalde kleur) per cm2 (reële afgewerkte oppervlakte) voor de gebruikelijke texturen zoals baksteen.

    De PCIT/BMP bestanden zijn ongeveer 20 à 200 Kb groot, maar dit is geen exacte benadering omdat ze geen rekening houdt met de reële grootte (bepaald in het dialoogvenster) van de textuur wanneer ze op een materiaal geplaatst wordt.

    c- Bij een scan kan men zich beperken tot 72 dpi omdat het uiteindelijk beeld zal verkleind worden. Men moet dan de beeldmodule versnijden waarbij men er moet opletten de overeenstemmende horizontalen en verticalen te behouden voor de voegen en de kleuren.

    De parametrering van de textuur van deze baksteen is eenvoudig om de baksteen zeer regelmatig is van vorm en van kleur.Wanneer een bepaalde baksteen minder regelmatig is (bijvoorbeeld rustieke recuperatiebakstenen), moet de basismodule veel groter zijn omdat anders de repetiviteit zal verminderen en het uiteindelijk beeld veel kunstmatiger zal zijn. Men moet tevens de horizontale voegen nakijken omdat een ingescand beeld soms een lichte vertekening vertoont.

    d- Het uiteindelijk beeld dient vervolgens bewaard te worden in PICT/BMP formaat in de actieve bibliotheek om in ArchiCAD bruikbaar te zijn zoals hiervoor beschreven.

    o OPMERKINGEN:
    - De positionering van de eerste module PICT/BMP wordt bepaald door de absolute oorsprong van het project die uniek is.

    - Beelden met texturen zijn bedoeld om een meer realistische indruk te verkrijgen, maar niet om gebruikt te worden voor uitvoeringstekeningen.

    - De “texture” optie verhoogt uiteraard de berekeningstijd van fotorealistische renderings.

    - Men kan één enkele textuur per materiaal toewijzen. Indien men streklagen wenst, volstaat het om het materiaal dat gebruikt wordt voor het gevelmetselwerk te dupliceren, te benoemen bvb. “baksteen 90” en het dezelfde textuur toe te wijzen met dezelfde parameters, behalve voor de helling die van 0 op 90° komt. Dit materiaal kan dan gebruikt worden voor lintelen.

    - Het gebruik van Artlantis als aanvullende module op ArchiCAD blijft aangewezen omdat het in “real time” wijzigen van materialen evenals vele andere functies zeer belangrijk zijn.

    - Voor een optimale parametrering van de kleuren in ArchiCAD, is het aangeraden om om met duizenden kleuren te werken. De afdruk op papier zal bepaald worden door de kwaliteit van de printer en het gebruikte papier. Soms stelt men een verschil vast tussen het beeld dat werd ingescand en de uiteindelijke afdruk. Bepaalde utilities (zoals bvb. ColorSync op Macintosh) laten een bijna perfecte calibratie van de kleuren toe tussen de scanner - scherm - printer.

Begrip lokaal TN 45

    De nieuwe lokaal functie laat een automatische herkenning toe van lokalen en polygonen. Van zodra een lokaal bepaald is, legt deze functie een lijst gegevens aan die een nieuwe mogelijkheden scheppen voor de meetstaat in ArchiCAD.

    o PRINCIPE:
    Het gebruik van deze nieuwe functie is onderverdeeld in 3 niveau’s.

    1- Eerste niveau : de “lokaal” functie laat toe om een stempel met een beschrijving in het plan te plaatsen.

    2- Tweede niveau : de groepen lokalen kunnen deel uitmaken van éénzelfde categorie van lokalen, waarvoor men dezelfde waarden in de stempel met de beschrijving wenst.
    Bij voorbeeld : van de categorie “Technieken” kunnen de lokalen “stookplaats” en “atelier” deel uitmaken.
    Deze categorieën zijn parametreerbaar in het menu “Options//Zones categories”.
    Voor elke categorie kiest men een naam, een coderingsnummer (voor gebruik in de meetstaat) en een kleur om een gemakkelijke herkenning toe te laten in het grondplan.
    Voor elke categorie van lokalen is het mogelijk om een afzonderlijke stempel te bepalen zodat het mogelijk is om verschillende gegevens op het plan aan te brengen.

    3- Derde niveau : de stempel als voorwerp is een speciaal 2D GDL voorwerp dat toelaat om de gegevens bepaald door de geometrie van het gedetecteerde lokaal te beheren en om een grafische beschrijving te geven van de stempel (rond, rechthoekig,...).

    o GEBRUIK :
    Men moet de verschillende categorieën van de zones definiëren in grondplan om ze te kunnen toevoegen in het menu “Options/Zones categories”. Men kan vanzelfsprekend steeds dezelfde stempel gebruiken indien hij voldoende uitgebreid is. Stel standaardwaarden (pen, naam,...) in voor elke categorie.

    De gebruiker kan er zich meestal toe beperken om de stempel in het grondplan te plaatsen met behulp van de lokaal functie.

    De stempel zal de te vermelden waarden geven in functie van deze die beschikbaar zijn door bijkomende parameters, analoog als deze van de huidige bibliotheekelementen.

    De lokaal functie laat toe om de keuze van de layer, keuze van het pennummer en een hele reeks andere mogelijkheden weer te geven in de 2D afbeelding van de stempel in het grondplan.

    Het is noodzakelijk (indien nodig voor de waarden die men wenst te weer te geven) om de naam van het lokaal, het codenummer, dikte van de vloerafwerking (voor berekening van de bepleistering), de vrije hoogte en het niveau van het lokaal.

    De geplaatste stempel zal automatisch verschillende geometrische gegevens detecteren waaronder : de oppervlakte van de omliggende muren, de omtrek, de oppervlakte van ramen en deuren, ...
    (Hij zal ook de voorwerpen binnen het lokaal detecteren, zodat het mogelijk is om elokaal per lokaal en meetstaat te maken van de voorwerpen in het gebouw met behulp van de functie “Calculate/List Zones”).
    De combinatie van de twee reeksen waarden (automatisch berekend of aangeduid door de gebruiker) zullen toelaten om andere elementen van de meetstaat te berekenen.
    Bij voorbeeld : de omtrek van de gedetecteerde muren verminderd met de breedte van de deuren zal de totale lengte van de plinten voor dat lokaal geven.

    Opmerking :

    - De polygonen van de lokalen zijn dynamisch maar de aangeduide waarden in de stempels worden niet voortdurend aangepast. Om een herberekening van de voorwerpen uit te voeren (in feite van de GDL) volstaat het echter om “alt-display-rebuild” te kiezen.

    - De stempel als voorwerp is niet toegankelijk in de lokaalfunctie zoals de andere voorwerpen, maar wel in het menu “Options/Zones categories” voor elke categorie.

    - Al de door de categoriën gebruikte stempels, en die in feite speciale voorwerpen zijn moeten in de actieve bibliotheek van het plan aanwezig zijn.

    - De lokaal functie is het meest doeltreffend wanneer het gebruikt wordt in een gevorderd stadium van het project (omdat alle omschrijvende muren van het lokaal aanwezig zijn en duidelijk de omtrek van het lokaal afbakenen.

    - De tweede optie voor het bepalen van het lokaal gebeurt manueel en functionneert op dezelfde manier als de functies voor het type “polygonen”.

Beperking van de grootte van de rendering beelden. TN 42

    Hoe beperkt men de plaats die door Uw renderingen worden ingenomen op de harde schijf ?

    o ALGEMEENHEDEN :
    Het beeld dat door ArchiCAD wordt aangemaakt vanuit het rendering venster is een beeld in RGB formaat opgebouwd uit drie lagen (Rood, Groen, Blauw) met acht bits per pixel ieder.
    De beelden met geïndexeerde kleuren hebben één laag ; zij hebben dus geen drie lagen zoals het RGB formaat.
    Beelden met geïndexeerde kleuren nemen minder geheugen in dat in het RGB formaat. Het kleurenpallet dat verbonden is met het beeld omvat enkel de kleuren die in het beeld gebruikt werden; het RGB beeld bewaart het volledige pallet. De mogelijkheden om een beeld met geïndexeerde kleuren te bewerken zijn beperkt.
    Een RGB beeld omzetten in een beeld met geïndexeerde kleuren laat U toe om de omvang van het bestand in belangrijke mate te verminderen.

    o PRINCIPE :
    De beelden berekend door ArchiCAD bestaan altijd uit een milioen kleuren .
    De grootte van het bestand zal evenredig zijn aan het aantal punten van het beeld en van het aantal gebruikte kleuren.
    Vanaf het ArchiCAD render venster, bewaart U het beeld in het PICT of BMP formaat.

    o GEBRUIK :
    U opent dit beeld in een programma zoals Photoshop of Corel Draw.
    Om het aantal Kb te beperken, volstaat het om dit beeld om te zetten naar geïndexeerde kleuren met de volgende opties : 8 bit/pixel, adaptatief, diffusie.
    Een bijkomend voordeel van de beperking van de omvang van het bestand is de tijdswinst bij het afdrukken van de renderings.

Stereoscopische afbeeldingen. TN 37

    Deze nota beschrijft de methode om stereoscopische afbeeldingen aan te maken die bekeken dienen te worden doormiddel van speciale brillen met een rode filter voor het linker oog en een blauwe filter voor het rechteroog.

    o PRINCIPE:
    Men vervangt de rode filter van het beeld dat door het linker oog wordt gezien door de rode filter van het beeld dat gezien wordt door het rechter oog.

    o METHODE:
    In ArchiCAD :
    Maak in een ArchiCAD project een nieuwe route.
    Plaats een camera volgens het gewenste zichtpunt. Kopieer deze camera evenwijdig met een afstand van 10 cm (± afstand tussen de twee ogen).
    Voor een betere beeld kwaliteit gebruikt U de fotorealistische renderingen functies voor het maken van de twee afbeeldingen. (betere anti-aliasing)
    U parametreert de fotorealistische rendering opties volgens de gewenste kwaliteit.
    Bereken een animatie op de beelden vanaf het rendering venster en bewaar deze afbeeldingen in PICT of BMP formaat.

    In Photoshop of Corel :
    Open de twee afbeeldingen gemaakt in ArchiCAD en ga over in de RGB mode.
    Een RGB beeld is een samenstelling van 3 basislagen; Rood, Groen, Blauw.
    Activeer het beeld dat gezien wordt door het rechter oog en laat de (RGB, Rood, Groen, Blauw) lagen in het optie palet zien. Selecteer de rode laag dan selecteer alles en kopieer.
    Activeer het beeld dat gezien wordt door het linker oog een laat de (RGB, Rood, Groen, Blauw) lagen in het optie palet zien. Selecteer de rode laag dan selecteer alles, verwijder en plak.
    Door de rode laag te verplaatsen (met de pijlen op het keyboard) naar links of naar rechts, kunt U Uw project naar voren of naar achteren laten komen.

    Opmerkingen:
    - De twee beelden moeten dezelfde maat hebben (b.v 640/480)
    - De lagen mogen niet vertikaal verplaatst worden.
    - Stereoscopische brillen kunnen door ons geleverd worden.
    - De kleurbalans zal verbeterd moeten worden voor bepaalde beelden, schrijf hiertoe de numerieke waarden op om deze gemakkelijker te kunnen overbrengen naar het tweede beeld.

Lay-out van een "Rekenblad" in PlotMaker TN 32

    Het is mogelijk om een geheel rekenblad dat in Excel werd gemaakt uit te printen op een plotter via PlotMaker.

    o WERKWIJZE:

    - In Excel, selecteer de zone die geprint moet worden op de plotter.

    - Doe "Copy" en druk tevens de "hoofdletter" knop in.

    - Creëer een lay-out met PlotMaker met het gewenste papier formaat.

    - Doe "Paste". De gekopieerde elementen blijven geselecteerd en kunnen dan verplaatst worden.

    - Het document kan geplot worden zoals iedere andere lay-out en men kan de lettertypen van ArchiCAD (vectorieel of andere) veranderen, deze zijn beschikbaar in de plotter opties van PlotMaker:
    Menu commando "File/Plot Setup/Font plotting” het dialoog"“Font substitution” komt tevoorschijn. De gebruikte lettertypen in de lay-out zijn in reliëf en de lettertypen die vervangen kunnen worden zijn zichtbaar aan de rechterzijde.

    o OPMERKING:
    Zie ook de technische nota N° 17 beheer van de plotter.

Resolutie van fotorealistische renderingen TN 31.

    Hoe krijgt men de gewenste resolutie tijdens het maken van een fotorealistisch perspectief in ArchiCAD.

    o ALGEMEENHEDEN:
    Deze technische nota behandelt een logische werkwijze om een rendering aangemaakt in ArchiCAD uit te printen, het eindresultaat hangt af van de manier waarop men in ArchiCAD het beeld instelt en van de beschikbare resolutie van de printer.

    o OPMERKINGEN:
    - dpi: "dots per inch", met 1 inch = ±2,54cm.
    - pixel: punt.
    - de resolutie van een scherm is in het algemeen 72 dpi, terwijl sommige printers tot 300dpi of tot 2400dpi kunnen gaan.

    o WERKWIJZE:

    Voer het commando "Image/Photo Rendering settings/Image size & Background" in ArchiCAD uit.
    Het venster waar U de grootte van de fotorealistische rendering kunt instellen komt tevoorschijn:

    De opties die ons interesseren zijn:

    o Het "Eind beeld" bepaalt in pixels (Lengte x Breedte) de grootte van het berekende beeld in ArchiCAD en geeft de reëele nauwkeurigheid van het beeld aan (grootte van het resulterende PICT bestand).

    o De "Resolutie" geeft de gewenste aangegeven resolutie tijdens de afdruk (bij voorbeeld op een printer). Deze"Resolutie" heeft twee belangrijke gevolgen :
    1) Allereerst zal men het bestaande verband tussen de rendering en het achtergrond PICT beeld kunnen bekijken (indien de PICT knop van het dialoogvenster is aangekruist ). Men krijgt alleen maar een perfecte overeenkomst tussen de twee beelden als de afmetingen die voor het ArchiCAD beeld is ingesteld (in pixels x pixels) hetzelfde is als de afmetingen van het achtergrond beeld (schaal 100% in de opties van het PICT beeld).

    2) Playback zal de resolutie ingesteld in ArchiCAD herkennen voor het PICT beeld en zal op het scherm de afmetingen van de tekening simuleren zoals deze op papier zal worden afgedrukt met de ingestelde resolutie in ArchiCAD.
    Zie voorbeeld hieronder.

    Eenvoudig plan in ArchiCAD waarvan een rendering zal gemaakt worden:

    Opmerkingen:
    - In ArchiCAD lijken de twee beelden hetzelfde omdat ze hetzelfde aantal pixels hebben.
    - De reëele nauwkeurigheden van deze twee beelden zijn hetzelfde want ze hebben alle twee 200 x 200 pixels (de afmetingen van deze twee bestanden en de berekeningstijden zijn hetzelfde).

    Maar Playback zal rekening houden met de "Resolutie" ingesteld in ArchiCAD:
    Visualiseren in Playback:

    o TIJDENS DE AFDRUK:
    - Het afgedrukte beeld in ArchiCAD zal de resolutie van de printer aanhouden en het aantal punten van het beeld. Bij voorbeeld indien de resolutie van de printer 300dpi is, een beeld van 300 pixels zal een breedte hebben van 2,54 cm.
    - Het afgedrukte beeld in PlayBack zal de resolutie van de printer aanhouden, het aantal punten van het beeld, en de gegeven resolutie van het beeld tijdens het maken van dit beeld in ArchiCAD. Bij voorbeeld indien de resolutie van de printer 300dpi is, een beeld van 300 pixels opgegeven in 72dpi zal 2,54 * (300/72) cm breedte hebben.

    o CONCLUSIE:
    De reëele resolutie van de gemaakte rendering in ArchiCAD is niet afhankelijk van de optie "Resolutie" maar van de afmetingen van het “eind beeld” (“resulting image”) in pixels x pixels.

    o TRUCS / TIPS:
    - Men kan beter onmiddellijk de goede "Resolutie" aangeven in ArchiCAD om een beeld op scherm te krijgen dat in Playback gelijk is aan de afdruk die later gemaakt zal worden.
    - Het is mogelijk om de maat later aan te passen tijdens de afdruk op de printer door de volgende functie te gebruiken (verklein/vergroot in %) beschikbaar in de driver van de printer.